Als de kat van huis is

[Column verschenen in: Thuis in Zorgvlied, Wijkkrant van, voor en door de inwoners van de wijk Zorgvlied, Tilburg, september 2021]

Het winterkoninkje had het helemaal gehad. Schel kwetterend liet hij weten wat hem dwars zat. Het waren de katten. Een grijze, een zwarte en een rode. Nu eens lag zo’n rover op een dakje te slapen, dan weer sloop er een met snode plannen over de schutting of langs de haag. Zelf wist hij wel aan hun grijpgrage klauwen te ontsnappen, maar zijn kindertjes fladderden nog onbeholpen en hadden vooral oog voor eten. Het was zo’n beetje zijn dagtaak geworden: urenlang hipte hij, samen met andere vogels, scheldend om zo’n kat heen. Doodmoe werd hij ervan. Ook de mezen werden er stapelgek van, vooral wanneer hun kuikens de nestkast verlieten en stuntelend de wereld gingen verkennen. Alsof ze het niet druk genoeg hadden: de rupsen lagen tenslotte niet voor het oprapen. En ze hadden nog wel wat energie willen sparen voor een tweede broedsel. De merels hadden de handdoek al in de ring gegooid. Het winterkoninkje had het zien gebeuren. Hoe monter ze in het voorjaar nog waren, in ochtend- en avondschemering hun liefdesliedjes fluitend. Hoe de ellende was gekomen kort nadat de eitjes uitkwamen. Hoe het piepen van de blote kuikentjes niet alleen de ouderlijke verzorgingsdriften had gewekt maar ook de roofzucht van de katten. Hoe de jonkies die het nest hadden overleefd, daarna alsnog een voor een verdwenen. Waar moesten die oudermerels zich nog druk over maken? 

Klein Jantje zat te tetteren van boosheid. Hij wist ook wel dat er roofdieren waren, zoals de bosuil en de ekster, en dat die nooit zijn vrienden zouden worden. Die moesten ook eten, net als hijzelf, zo reëel was hij wel. Het was iets anders dat hem zo kwaad maakte: die katten hadden helemaal geen vogeltjes nódig, die kregen thuis elke dag een heerlijk bordje vlees of brokjes voorgeschoteld. En dan ook nog eens buiten de deur gaan snacken. Natuurlijk was jagen hun natuur, zoals hun baasjes ook altijd zeiden. Maar die bosuilen en eksters hielden zich tenminste nog aan de spelregels van die natuur: die aten omdat ze honger hadden. Die katten speelden vals, want ze jaagden als tijdverdrijf. Een bosuil of ekster ging alleen op jacht als het hem niet te veel inspanning kostte, maar de katten gingen net zo lang door totdat ze geen vogeltje meer konden vinden, energie zat, want ze kregen thuis toch wel te eten. En zo zat het winterkoninkje te foeteren, met zijn staartje ten hemel gericht alsof hij hoopte dat zijn klacht tenminste daar gehoor zou vinden.

Toen kwam de grijze aanlopen, zijn felgroene ogen boorden door het struikgewas. Het winterkoninkje ging een paar takken hoger zitten. Hij haatte de rover niet. Hij kón hem niet haten. Dat zat niet in zijn natuur.

2 Comments

Add yours →

  1. Het tegennatuurlijke probleem is duidelijk. Nou de oplossing nog.

    Like

  2. Willy van den Boer september 26, 2021 — 14:47

    Heerlijk om weer te lezen Piet!

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: