Timmeren

7 april 2020 – Er hangt een dikke mist boven heide en moeras. Niet dik genoeg echter om de enkele spreeuwen te verhullen die heel even rond de klok van zeven de abeel bezoeken. Ik vermoed dat het jonge vogels zijn. De oudere vogels slapen al op de broedplaatsen. Zij zijn er na afloop van de winter altijd als eerste; daarna volgen de tweedejaars en dan komen de spreeuwen die vorig jaar zijn geboren pas kijken. De spreeuwen in de abeel zijn zwijgzaam. Hoe anders dan de fitissen, de zwartkoppen en de boompiepers die nu overal uit volle borst zingen. 

Op de heide klimmen veldleeuweriken en boomleeuweriken triomfantelijk zingend boven de mist uit naar de blauwe hemel. Ik loop naar het bos, ga daarbij langs de geelgors. Die blijft meestal in zijn zangboom zitten zolang ik mijn hoofd maar afwend alsof ik niet weet dat hij er is. Vogels letten op gezichten en het geeft me altijd een speelse voldoening als ik op deze manier dicht langs een vogel kan lopen zonder hem te verjagen. 

In het bos wordt de mist langzaam als een rolgordijn opgetrokken. In het eikenlaantje vouw ik mijn driepootkrukje uit. De grond ruikt naar rottend blad, naar aarde. Ik hoor de rauwe kreet van de middelste bonte specht. Het mooie ronde gat waar ik ze kortgeleden aantrof bezoeken ze niet meer. Wie weet met welke overweging ze zo’n hol afkeuren. Te grote opening en dus te gevaarlijk? Teveel rommel daarbinnen en dus teveel parasieten? 

IMG_2308-2
De mist trekt op als een rolgordijn.
Timmer

Daar komen de spreeuwen aangevlogen van de woongroep. Twee spreeuwen hebben beide een pluk dorre eikenbladeren in de snavel. Ze lijken ermee te paraderen. Vliegen een stukje, gaan hier zitten, dan weer daar. Een van de vogels is in elk geval een mannetje, dat zie ik even later aan de groenige zweem over de basis van de snavel. En die andere, ik kan het moeilijk zien met al die bladeren in de snavel, is dat zijn partner, of ook een mannetje? Als de vogels weer vlak bij elkaar zijn laat de andere spreeuw zijn buit vallen. Dat lijkt het spel te beëindigen. Maar welk spel werd hier gespeeld? De spreeuw die zijn buit nog heeft vliegt meteen naar het hol om het materiaal te verwerken. 

Er komt een wandelaar naar me toe. Of ik de man ben van de verhalen die hij altijd leest. En wat ik hier dan aan het observeren ben. Hij had zojuist ook spreeuwen gezien met timmer. ‘Timmer’? Het blijkt Brabants dialect voor nestmateriaal. ‘Timmeren’ bestaat ook, dat is nestelen. Niet te verwarren met het getimmer van spechten. 

Over de heide loop ik terug. De lucht is staalblauw, het is warm. Op de palenkrans van een van de grafheuvel zit een vogel met een leigrijze rug, die scherp afsteekt tegen donkere vleugels en een zwart oogmasker: een mannetjestapuit. Door de telescoop zie ik dat zijn zachtoranje keel beweegt. Dat vertelt me dat hij zingt. Pas als ik dichterbij kom hoor ik wat gebrabbel. De snavel gaat niet eens open. De tapuit zit hier rond de grafheuvels omdat heide en grassen hier zeer kort zijn gemaaid. Tapuiten houden van kaal en schraal. Ze zijn vooral sinds de jaren 80 van de vorige eeuw in rap tempo als broedvogel uit ons land verdwenen. Ze leefden vooral in kustduinen en heidegebieden, maar die zijn dermate verruigd dat tapuiten hier niets meer te zoeken hebben. Die verruiging kwam onder andere door een combinatie van meer stikstof en minder konijnen. Stikstof trekt de makkelijk groeiende grassen voor, waardoor heide, kleine kruiden en bloeiende planten het onderspit delven. Knabbelende konijnen konden nog open vlaktes creëren maar die kregen in 1990 een flinke knauw van het VHS-virus. De laatste jaren beginnen ze in de duinen weer wat op te krabbelen, maar op de zandgronden van Oost-Nederland herstellen ze zich nog nauwelijks. Het lijkt er sterk op dat met het verdwijnen van die langzaam groeiende kruiden ook de insecten waar de tapuiten zich graag mee voedden verdwenen.

Naarmate open zandige delen verdwenen, gingen er nog meer kansen verloren voor insecten. Anders dan bij warmbloedigen, die hun eigen kacheltje stoken, verandert de lichaamstemperatuur van insecten met de omgevingstemperatuur. Dat veel insecten al vroeg in het voorjaar actief zijn, danken ze vooral aan open zandige terreinen waar de bodem zelfs in het vroege voorjaar al behoorlijk warm kan worden. Ook hun larven zullen het van dit warme microklimaat moeten hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen.

Wegwesp

Door zo’n open zandig terrein loop ik als ik vlak voor me een donker insect driftig in de weer zie. Het slanke wespachtige beestje is niet veel langer dan een centimeter en is helemaal zwart, op drie oranje-rode segmenten van zijn achterlijf en donkerbruine vleugels na. Het is een gewone wegwesp (Anoplius viaticus) – geen echte wesp maar een spinnendoder. Een vrouwtje is het. Ze is kort geleden uit haar winterse rust ontwaakt en druk bezig haar broedhol aan het dichtmaken. Een aanwijzing dat zich hier al heel wat heeft afgespeeld. Acties die ik net heb gemist (maar goed, het leven is geen voorstelling).

Ze heeft in haar hol zojuist een wolfspin, haar favoriete prooi, achtergelaten en daarop een eitje gedeponeerd. De wolfspin is voer voor de larve die straks uitkomt. De ‘wegwesp’ dankt haar naam aan haar veronderstelde gewoonte haar prooien aan waterkanten en op wegen te vangen. Maar als ik naar soortgenoten kijk die op jacht zijn, krijg ik een ander beeld: ik zie ze op jacht met een behoorlijk vaartje dwars door de heidestruiken heen gaan. Zo’n wegwesp zoekt zo’n spin juist in zijn schuilplaats op. Daar verlamt ze, na een korte worsteling, haar prooi en sleept ze hem naar het nest (daarbij verschijnt ze wèl op de ‘weg’). Dan begint ze te graven terwijl haar spin ergens op de vlakte zijn lot afwacht. Vorige jaar zag ik hoe een verwant van de wegwesp, de gevlekte kruisspinnendoder, zijn prooi, een grote kruisspin, naar binnen trok. Nu kijk ik naar de laatste fase van het proces bij de wegwesp: het afsluiten van het nest dat wel tien centimeter diep kan zitten. Met haar lange poten harkt ze het nest dicht met zand. Daarna stampt ze de boel aan met haar gekromde achterlijf. De spin is intussen levend begraven bij het eitje. Daar kan de larve straks op groeien totdat deze zich tot cocon zal spinnen. In juni ontpopt ze zich en zal dan als spinnendoder de bovenwereld gaan verkennen. 

‘Timmeren’ mag dit nestelen door spinnendoders vast niet genoemd worden. Die term zullen we maar voor de vogels reserveren.

_______________

Bronnen:

Dijksterhuis, Koos. 2016. De Spreeuw. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen.

Van Oosten, Herman. 2018. De Tapuit. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen.

Vogels J, Siepel H, Webb N. 2013. Impact of changed plant stoichiometric quality on heathland fauna composition in Siepel H, Heijman WJM, Webb NR, Diemont WH, eds. Economy and Ecology of Heathlands. KNNV, Zeist.

Van den Burg A, Dees A, Huigens T, Bijlsma R-J, de Waal R. 2014. Voedselkwaliteit en biodiversiteit in bossen van de hoge zandgronden. Directie Agrokennis, Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Rapport nr 2014/OBN186-DZ

Wolfs H.J., Lesna I.K., Sabelis M.W. & Komdeur J. 2012. Trophic structure of arthropods in Starling nests matter to blood parasites and thereby to nestling development. Journal of Ornithology 153:913-919

Woordenboek van de Nederlandse Taal (WNT) – online

 

One Comment

Add yours →

  1. Willy Boer van den april 18, 2020 — 17:00

    Weer een top en gezellig verhaal!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: