Variaties op het thema ‘vink’

IMG_1119-2

10 december 2019

Om half negen schijnen de eerste zonnestralen over de hei. Er is nauwelijks een wolkje aan de lucht en er is weinig wind. De meeste bomen hebben hun blad verloren. De contouren van hun kale kruinen steken af tegen de ochtendhemel.

Boven in een eik zitten drie spreeuwen te zingen. Ze pronken met hun lange keelveren. Het zijn mannetjes. De snavel is al geel aan de basis. Niet-trekkende spreeuwen, zoals deze, krijgen eerder een gele snavel dan migranten. In het voorjaar zal de hele snavel met een geel hoornlaagje bedekt zijn.

Een van de spreeuwen (het is steeds dezelfde) imiteert de vluchtroep van de meerkoet (zie blog ‘Avonturen in de avonduren‘). Die moet hij al een tijdje in zijn geheugen hebben, want bij mijn weten laten de meerkoeten die nachtelijke roep alleen in het voorjaar horen. Hetzelfde geldt voor de spreeuw die ik even later hoor: hij heeft de voorjaarszang van de wulp als hoofdthema.

Zwarte spechten laten weer hun klagende kluuu horen. In het bos kom ik een vos tegen. Hij gaat kalmpjes voor me uit, over het bospad, niet van plan zich op stang te laten jagen. 

Goudvinken

In het ‘Mibobos’ (het bosje waar ik in het voorjaar zo mooi middelste bonte spechten zag – zie blog ‘Nieuwe bewoners’) hoor ik goudvinken. Ze zijn dichtbij. Ik vind ze in een berk, een mannetje en een vrouwtje. Ze peuteren zaden uit de berkenkatjes. Het valt me weer op hoe kort en rond dat snaveltje is. Voor dit fijne werk lijkt dit niet het meest geschikte instrument. Een meer pincetvormige snavel, zoals van putters of sijsjes, zou handiger zijn. 

Goudvinken bijten stukjes uit een elzenkatje en onttrekken daar de zaden aan.

Maar berkenzaden zijn niet het enige voedsel van goudvinken. Ze eten heel graag knoppen en vlezige vruchten. En daarvoor moet de snavel heel sterk zijn, vooral aan de punt. Een korte snavel kan grotere krachten weerstaan dan een lange.

Andere eetgewoonten vragen om ander bestek. Met zijn puntig uitlopende snavel trekt een putter de zaden van een berkenkatje er een voor een uit. De goudvink pakt het anders aan. Met de scherpe randen van zijn snavel bijt hij kleine stukjes uit zo’n berkenkatje, rommelt er wat mee in de snavel zodat de zaden loskomen. De vliesjes van de zaden blijven daarbij aan de snavel plakken.

Anders dan de goudvink trekt de putter de zaadjes van berkenkatjes er een voor een uit.

Ieder op zijn eigen plek

Er zijn dus variaties op het thema ‘vink’. Met ieder hun eigen specialisatie zitten de verschillende vinkensoorten elkaar minder in de weg, zodat er in een gebied meer soorten kunnen samenleven (in jargon heet dat ‘niche-differentiatie’). Appelvinken kraken met hun enorme snavels het liefst de nootjes van de haagbeuk. Voor sijsjes zijn elzenpropjes favoriet, terwijl barmsijzen liever aan berkenkatjes bungelen. Goudvinken eten graag de knoppen van vruchten of bloemen. Kruisbekken peuteren het liefst zaden uit sparren. Vinken en kepen azen vooral op beukennootjes. Groenlingen hebben iets kortere snavels dan vinken en kepen, waardoor ze beter zaden van grassen en kruiden in hun bek kunnen manipuleren.

_E2A1544
Met zijn stevige snavel kan de appelvink een harde noot kraken.

Toch zal de door mensen gevormde omgeving waarin een vinkensoort nu leeft vaak afwijken van de natuurlijke omgeving waarin de soort is geëvolueerd. Dat hoeft geen probleem te zijn zolang de variatie aan bomen en struiken zo groot is dat alle specialisaties tot hun recht komen. In veel contreien is het landschap echter zo drastisch veranderd, dat sommige soorten te lang moeten zoeken om hun lievelingsbomen te vinden. Dan moeten ze consessies doen en concurreren met andere soorten om dezelfde soorten zaden. Vooral aan het einde van de winter, als het voedsel schaarser wordt, kan dat ertoe leiden dat bepaalde individuen onvoldoende toegang krijgen tot voedsel en verhongeren.

Met de kennis die we hebben van de vinken en hun voorkeuren, weten we welke bomen en struiken voor elke soort interessant zijn. Alleen als we die laten staan, kunnen we van deze biodiversiteit blijven genieten.

_________________________________

Bronnen:

Cramp S, et al. 1994. The Birds of the Western Palearctic. Volume VIII: from Crows to Finches. Oxford University Press, Oxfors/New York.

Lack D. 1971. Ecological isolation in birds. Blackwell Scientific Publications.

Newton I. 1966. The adaptive radiation and feeding ecology of some British finches. Ibis 109:33-96.

 

2 Comments

Add yours →

  1. Hoi Piet wij hebben je verhaaltjes weer gelezen en wij vinden ze heel mooi en genieten er steeds van. Wij hopen dat je er op jullie vacantie ok weer terug zult komen met zo een mooie beelden. Fijne vacantie en tot ziens.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: