Schimmen boven de hei

IMG_9784-2

23 september 2019

Om kwart voor vijf in de avond arriveer ik bij de het Riels Laag. Ik bind mijn fiets aan een paal. Roodborstjes roepen een ijl tsiet, steeds herhaald. Dat roepje hoor ik al wekenlang op veel plaatsen. Volgens mij zijn ze hun winterterritoria aan het afbakenen. Roodborstjes hebben het hele jaar een terrein waar ze soortgenoten vanaf jagen: in de broedtijd verdedigen partners samen een gebied, in de winter heeft elke vogel zijn eigen territorium. En straks kan het dringen worden, want dan komen er ook nog soortgenoten uit Noord-Europa bij.

Ik loop langs het veld waar hele hele jaar al zuring staat zonder dat andere planten het verdringen. Grote delen van het veld zijn half afgegraven door konijnen. Hun holen zijn hier en daar zo uitgedijd dat er een vos in zou kunnen wonen. Op het kale zand hipt een tapuit. Af en toe vliegt hij op om even vanaf een paaltje rond te kijken. Tapuiten hebben graag overzicht.

Drijfvest

In het water bij het bruggetje is een geelgerande watertor aan het jagen. Ronde zwarte waterkevertjes schieten alle kanten op als hij nadert. Aan zijn staart verschijnt een luchtbel. Dat is oude lucht die hij van onder zijn dekschilden vandaan naar buiten perst; die vervangt hij door verse zuurstof. Om onder water te kunnen blijven draagt hij permanent zuurstof mee. Hij vergroot er ook zijn drijfvermogen mee.

 

 

Warm avondlicht strijkt over de velden. Een dikke deken van dorre distels herinnert nog vaag aan het zomerseizoen. Matkoppen laten hun hese roep horen en boomklevers lijken een ouderwetse typmachine te imiteren. Dat geluid is weer terug sinds hun jongen zelfstandig zijn. Het geeft aan dat ze weer meer tijd krijgen voor zichzelf.

Kiemrust

De zon begint achter de bomen te zakken. Ik volg de rand van de heide weer noordwaarts. Op de overgang van hei naar laagte vliegt een dwergvleermuis. Ik heb geen batdetector nodig om zijn stuiterende tit-tit-tit-geluidjes te horen (en hoef dus voorlopig nog niet naar Schoonenberg). Die hoorbare tonen schijnen baltsgeluiden te zijn. Net als veel andere vleermuizen in onze streken veroveren de dwergvleermuizen in het najaar een vrouwtje en paren met haar. Het vrouwtje houdt het zaad bij zich tot na haar winterslaap. Pas later in het voorjaar komt een eitje in de eileider en wordt daar door een ontwaakt zaadje bevrucht. In mei wonen de vrouwtjes met tientallen tot honderden dieren bijeen in een holte, een soort kraamhotel, waarin de jongen ter wereld komen.

Met die lange pauze tussen paring en bevruchting voorkomen de vrouwtjes dat de jongen in de winter, als er niets te eten valt, worden geboren. Reeën bouwen ook een pauze in. Ze paren in de herfst (zie blog ‘Zomerbok‘), net als vleermuizen. Maar, anders dan bij de vleermuizen, leidt die paring onmiddellijk tot bevruchting. De bevruchte eicel van de reegeit gaat zich pas in december tot een embryo ontwikkelen, zodat tussen half mei en half juni de kalfjes ter wereld komen.

En zo komen we bij de reeën terecht. En dat is mooi op tijd, want het begint nu snel donker te worden. Dat is de tijd dat ze de bossen verlaten om het open veld op te zoeken. Ik zoek een strategische positie met overzicht over de velden langs het Riels Laag. Op verschillende plaatsen staan groepjes reegeiten in het open veld: hier staan er twee bij elkaar, een eindje verder een groepje van drie. Mountainbikers met harde stemmen jagen het drietal weer het struweel in.

Het begint aardig donker te worden. Vlak boven mij klinkt de scherpe roep van een bosuil. Ik zie de vogel niet zitten, maar hoor hem des te beter. Kennelijk heeft de uil me zojuist opgemerkt, hij lijkt nieuwsgierig. De reeën laten zich voorlopig niet meer zien. Ik loop verder, de hei op.

 

Donkere gedaanten

Witte wieven hebben zich als een fluorescerend dekbed neergevlijd over de laagte. Een vaalblauwe gloed straalt af van de westelijke hemel. Net genoeg om te zien dat er iets donkers op me af vliegt.

Het nadert in een rechte lijn. Ik ben zijn bestemming, dat is onmiskenbaar. Dichterbij zie ik dat het een gedrongen vogel is, zo te zien een uil. Rakelings vliegt hij over mijn hoofd, maakt een zwenking en keert terug, weer recht op me af. Als hij weer laag over komt zie ik zijn ronde vleugels en de buitensporig grote kop, die afhangt alsof hij een kinnebakkes heeft. Hij gaat voor me op het zandpad zitten, maar vliegt al gauw weer op. Een fractie van een seconde valt het laatste schemerlicht op zijn platte ronde gezichtssluier en zijn donkere ogen. Het is een bosuil.

Als aan de grond genageld sta ik daar. De uil heeft me betoverd. Dan scheren ook nog eens drie silhouetten van houtsnippen vlak langs me heen. Alsof de uil lakeien heeft.

Ze moeten me wel hebben vanavond. Ik ga naar huis, heb de behoefte om mijn belevenissen met iemand te delen.

De laatste gloed aan westelijke hemel is inmiddels gesmoord. Het zwak lichtende zandpad is nu mijn enige baken. Op de grens van heide en veld doemen ineens koeien op. Ze staan midden op het pad. Voorzichtig ga ik tussen ze door en spreek ze — en mijzelf  — kalmerend toe.

Kennen koeien ook avontuur?

 

__________________________

 

Bronnen:

 

Grzimek 1970. Het Leven der Dieren, Deel II Insekten

Twisk P., van Diepenbeek A., Bekker J.P. 2010. Veldgids Europese Zoogdieren. Zeist: KNNV.

2 Comments

Add yours →

  1. Je kan echt een thriller maken van zo’n speurtocht!Mooi👏👏

    Like

  2. Willy van den Boer oktober 9, 2019 — 20:44

    Dank je wel weer Piet!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: