Zomerbok

 

IMG_8886-2

2 augustus 2019

De contouren van de Leioever tekenen zich vaag af in de ochtendmist. Een jonge blauwborst waagt zich door de rietkraag naar buiten. Hij zoekt voedsel in de modderige kant en verdwijnt weer in het struweel. Het is stil. Geen vogel die zingt of roept. De stilte wordt bruut verstoord als tientallen Canadese ganzen met hun luide nasale getoeter naar de graslanden vertrekken. Het is alsof de veelheid van vleugels de mistbank aan flarden scheurt. Nu zijn ook de twee bosruiters te zien die in ondiep water naar voedsel prikken.

Via de kruidenrijke velden ga ik het Leidal in. Een watersnip vliegt met raspende kreet op. In de rietkraag worden nog kleine karekieten gevoerd. Ik vermoed dat dit hun tweede leg is.

Even later loop ik op de heide in het epicentrum van de veldleeuweriken. Slechts heel af en toe is hier nog een veldleeuwerik te zien. Wellicht hebben de meeste de heide al verlaten. Een deel van hen zal wegtrekken, maar niet verder dan naar Engeland of Frankrijk. De blijvers profiteren ’s winters vooral van stoppelvelden waar ze, vaak in gezelschap van vinken en geelgorzen, zaden eten. Bovenop een heidestruik zit een graspieper met een rups in de snavel. Aanhoudend roept hij een zacht fiet. Hij heeft nog ergens een jong dat op voedsel wacht.

Fijnproever

Als ik rond halfnegen het bos inloop stuit ik op een ree. Hij staat midden op het zandpad en heeft mij niet gezien. Hij scharrelt op zijn dooie gemak wat tussen kruiden. Zijn tred oogt wankel, alsof zijn dunne pootjes elk moment kunnen knakken. Zo te zien is het dier krap een half jaar oud. In de dunne lichte lijnen die over de hals lopen en de lichte vlekken op zijn rug schemert nog iets van zijn jeugdige vacht door.

Reeën zijn herkauwers, net als koeien. Maar ze kunnen minder goed met taaie vezels van planten overweg. Daarom eten ze, anders dan koeien, nauwelijks gras maar zoeken ze zorgvuldig eiwitrijke en licht verteerbare kruiden, jonge blaadjes en knoppen van bomen en struiken. Als die er niet zijn, zoals in de winter, gaan ze ook andere dingen eten, zoals boombast, bessen, paddestoelen, beukennootjes en eikels. Die eikels beginnen overigens al beschikbaar te komen. Bij de geringste bries vallen ze als dikke regendruppels uit de Amerikaanse eiken — de inlandse eikels zijn nog niet zo ver.

 

Dieper in het bos kom ik weer een ree tegen. Het is een bok. Hij staat een tijdje stokstijf midden op het zandpad, maar verlaat dan in een paar rappe sprongen zijn plek en gaat me vanachter een struik strak staan aankijken. Af en toe verplaatst hij zich met een stap, waarschijnlijk om beter de afstand te kunnen inschatten.

De ogen van herten staan aan de zijkant van de kop. Daardoor kan hij bijna de hele wereld rondom in de gaten houden. Maar in voorwaartse richting overlappen de blikvelden van beide ogen onvolledig waardoor ze slecht diepte kunnen zien. Het overkwam me onlangs dat een ree op klaarlichte dag recht op me af liep, mij pas vanaf een twintigtal meters opmerkte en geschrokken op de vlucht sloeg.

De reebok die me staat aan te staren heeft een kort stevig gewei. Dat gewei is natuurlijk lang niet zo imposant als dat van een edelhert. Bij edelherten draagt de grootte van het gewei dan ook meer bij aan het voortplantingssucces dan bij reeën. Anders dan edelherten hebben reeën meestal geen harem, al paren ze wel vaak met meer dan één vrouwtje. Reeën opereren vanuit een territorium waarin ze bazig zijn, maar daarbuiten zijn ze onderdanig aan andere territoriumbezitters. Met deze strategie, waarmee ze niet zo goed in staat zijn om hindes aan zich te binden, lijken ze gevechten, die gevaarlijk kunnen zijn voor hun eigen gezondheid, meer uit de weg te gaan dan edelherten. De bokken zijn dan ook maar tien procent zwaarder dan de geiten (bokken van edelherten kunnen bijna twee keer zo zwaar worden als de geiten).

 

Stevig gebouwd

Het komt er bij reeën, of het nu bokken zijn of geiten, vooral op aan dat ze goed in hun vel zitten. Een zwaargebouwde bok heeft doorgaans ook een groter gewei. Dat maakt hem niet alleen een betere vechter, maar ook aantrekkelijker in de ogen van de vrouwtjes. Zij vallen vooral op forse mannen. Maar waarom reeën dan van generatie op generatie niet groter worden, is vooralsnog een raadsel.

 

 

De reeën zitten midden in de bronsttijd: de tijd dat mannen achter de vrouwtjes aanzitten (die overigens zelf ook actief op zoek gaan naar mannen). Deze bok die voor me staat heeft succes geboekt. Hij is namelijk niet alleen. Achter een braamstruik staat zijn partner. Zij lijkt nog geen idee te hebben van mijn aanwezigheid. Maar dan komt ze achter de struik vandaan en staat ineens vlak voor me. Ze schrikt er zelf van.

Eendrachtig slaan beide op de vlucht, hun geheimen meevoerend.

 

___________________________________

Bronnen:

Vanpé C., Gaillard J.M., Kjellander P., Liberg O., Delorme D. & Hewison A.J.M. 2010. Assessing the intensity of sexual selection on male body mass and antler length in roe deer Capreolus capreolus: is bigger better in a weakly dimorphic species? Oikos 119:1484-1492.

Vanpé C., Gaillard J.M., Kjellander P., Mysterud A., Magnien P., Delorme D., Van Laere G., Klein F., Liberg O. & Hewison A.J.M. 2007. Antler size provides an honest signal of male phenotypic quality in roe deer. The American Naturalist 169:481-493.

Twisk, P. 2010 Veldgids Europese Zoogdieren. Zeist: KNNV Uitgeverij

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: